The essential predicament in which one fears
condemnation is quite different
from the one where one fears, above all,
meaninglessness.
The dominance of the latter perhaps defines our age.
(Charles
Taylor, Sources of the self, p. 18)
Begeleiden van
veelvormigheid
Mystagogie bij de levensweg
1.
De
Quest of life
Eeuwenlang kon de levensweg van een mens worden beschreven in termen
van een project van de zelfontplooing en de autonomie. Autonomie die met moeite
werd bevochten op een bevoogdende en beperkende omgeving die ‘de grote
verhalen’, een vaststaande levensvisie en moraal overdroeg. Die grote verhalen
gelden niet meer of hebben aan zeggingskracht verloren. Het project van
zelfontplooiing en autonomie staat echter nog onveranderd overeind. Dat heeft
op individueel en collectief niveau een crisis in betekenisgeving veroorzaakt.
Een individu heeft het steeds meer nodig om stappen die zij[1] in haar leven zet, vanuit
haar visie op het leven en de eigen normen en waarden te onderbouwen, omdat er
steeds meer andere vaste referentiepunten verdwijnen. De quest of life is meer
dan ooit een zoektocht naar betekenis.
Voor mij persoonlijk noem ik dat voortdurende proces Extravaleren[2], dat wil zeggen dat ik
mijzelf steeds wil ontwikkelen door reflectie op eigen handelen en ervaring. Om
vanuit die wijsheid anderen te helpen op hun ontwikkelingsweg. Ik zoek daarbij
steeds naar antwoorden op de vraag hoe we (collectief en individueel) kontakt
kunnen maken met de wijsheid in onze levens, in die van de generaties voor ons.
Bij het coachen en adviseren van mensen die zinvol werk of een zinvolle
invulling van werk zoeken is betekenisgeving dan ook van groot belang. Dat
vraagt specifieke vormen van begeleiding.
Hieronder verken ik een aantal moderne inzichten en methodieken van
begeleiding op de levensweg, speciaal in hun samenhang met wat Tjeu van den Berk
daarover zegt in Mysterie van de hersenstam en Mystagogie (par. 2). Tevens
omschrijf ik belangrijke randvoorwaarden voor de begeleiding, zowel wat betreft
de omgeving als de persoon van de begeleider (par. 3). Dit sluit ik af in een
concluderende paragraaf. (par. 4)
2.
Mystagogie op de
levensweg
a. Betekenisgeving en
creatief-sociaal leren bij loopbaanbegeleiding.
Ieder mens streeft op een of andere manier naar ontwikkeling van
zichzelf. Het is daarbij essentieel om betekenis te geven aan hetgeen zij doet,
zeker als er belangrijke keuzes moeten worden gemaakt, zoals die in de
loopbaan. Het is dan belangrijk om eerst een persoonlijke zingeving voor het
handelen te formuleren, een betekenis te geven aan het handelen.
Meijers en
Wijers[3]
beschrijven hun inzichten rondom het proces van betekenisvinding. Hun boek is gebaseerd op ervaring en inzichten
uit de loopbaandienstverlening, maar wat wordt betoogd over leren en
ontwikkelen van mensen heeft algemene geldigheid. Zij omschrijven betekenis als
‘cognitie die in balans gebracht is met emotie, resulterend in een wil die
nieuw handelen mogelijk maakt’. Het ontstaan van ‘wil’ in deze definitie is als
het ware een perspectiefwisseling. Betekenisgeving vindt plaats omdat inzicht
ontstaat, inzicht dat de wil vormt, wat vervolgens kan worden geïntegreerd in
nieuw gedrag.
Betekenisgeving is ook een sociaal proces, want betekenis ontstaat in
interactie met de omgeving[4].
Hoe verloopt dit proces?
In eerste instantie ontstaat er een betekenis-tekort[5], wat handelingsonzekerheid
veroorzaakt, zonder dat een oplossing wordt gezien. Dit leidt tot een interne
dialoog waarin de vraag als het ware wordt geformuleerd en geaccepteerd en
een vermoeden over de invulling ontstaat. Daarbij worden een aantal stadia doorlopen.
Eerst vindt reflectie op spanning uit het verleden plaats, vervolgens wordt
gepoogd om een patroon in aandacht trekkende ervaringen te ontdekken, gevolgd
door het formuleren van het eigen levensthema. Hierbij is het individu op eigen
emoties gericht. In dit deel van het proces wordt aan de hand van de vraag
gereflecteerd op spanning uit het verleden, als handvat om de emoties
gerelateerd aan leven en werk bewust te maken. De verkregen informatie uit de
voorgaande stappen kan basis zijn om bewust te worden welke patronen worden
herkend in het gedrag. Op basis daarvan
kan het individu een levensthema formuleren. Een levensthema is een
"centraal aandachtsgebied van het individu, dat complex, duurzaam en zwak
bewust is"[6].
Dit inzicht kan leiden tot een perspectiefverschuiving, waarin de
handelingsmogelijkheden van de zoekende worden verruimd.
In de tweede fase van het proces is sprake van een externe dialoog,
waarin cognities dominant zijn. De volgende stappen zijn te onderkennen. Eerst
wordt gewerkt aan het formuleren van het voorgenomen handelen in de wereld,
vervolgens wordt de waarde van het aanbod bepaald en tenslotte wordt een
oordeel gevormd over de mogelijkheid om van betekenis te zijn. Als deze fase
van het proces is bereikt, zijn reeds belangrijke inzichten verworven en is een
levensthema geformuleerd. Dan doet de vraag zich voor om deze heldere
omschrijving toe te passen op een werkelijkheid die zeer diffuus is en constant
in verandering.
Dit hele proces is dynamisch, er is sprake van creatief-sociaal leren,
want in sociale interactie worden nieuwe betekenissen gecreëerd. Motor van dit
proces vormt de existentiële spanning, geformuleerd in een vraag.Als deze vraag
door middel van een concrete invulling is opgelost, valt de motor van dit proces,
de existentiële spanning, weg. Zodra in het leven weer een betekenistekort aan
de orde is, herneemt dit proces zich.
b. Formuleren van een
levensthema en existentieel biografisch werk.
In bovenstaand model is het formuleren van een levensthema een cruciale
factor in het proces van betekenisgeving, als het ware een omslagpunt. Een
verdiepte en specifieke methode daarvoor is het existentieel biografisch
onderzoek, zoals beschreven door Ina Brouwer[7]. Het is een
narratieve methode om in groepsverband systematisch het eigen levensverhaal te
'bewerken". Niet met de bedoeling om navelstarend in het verleden te
kijken, maar vanuit een verlangen om een (hernieuwde) balans te vinden of zich
verder te ontwikkelen. Om een rode draad
te ontdekken die een leidraad kan zijn in de toekomst.
Een practicum bestaat uit (minstens) acht bijeenkomsten in een groep.
Ze hebben enerzijds de structuur van een levensloop, bewegen zich langs lijnen
van verleden, heden en toekomst. Ze hebben ook een narratieve structuur [8]: de opbouw van de
oefeningen beweegt zich van opppervlakkige belevingen naar de plot.
Bijvoorbeeld het maken van een levenspanorama of het beschrijven en onderzoeken
van een vroege jeugdherinnering. Die plot is "het herkennen en beschrijven
van de existentiële thematiek, en het verwerken van nieuwe inzichten in het
eigen levensverhaal". Het keerpunt ligt in het midden van het traject, als
naar aanleiding van een gezamenlijk bekeken film of door iedereen gelezen roman
van wat meer afstand naar de levensthema's wordt gekeken. Vaak ontstaat hier
een belangrijke perspectief-verschuiving.
Brouwer noemt een aantal belangrijke randvoorwaarden voor een dergelijk
existentieël zelfonderzoek. Ten eerste het aanreiken van een grondvorm, een
structuur die een perspectief biedt voor het benaderen van het levensverhaal.
Ten tweede noemt zij de sfeer in de groep, mensen moeten zich veilig kunnen
voelen in de groep. Bij processen die mensen die zo diepgaand kunnen
confronteren met hun eigen kwetsbaarheid is veiligheid van essentieel belang,
een bekend uitgangspunt vanuit de psychologie. Ten derde vormt de existentiële
vraag de ruggengraat van het proces. Deze vraag richt en stuurt het proces en
vormt tenslotte het meetpunt aan het einde van het traject; is er een antwoord
geformuleerd? Ten vierde noemt zij synchroniciteit. Als een dergelijk
existentieël proces in beweging komt, ontstaat er een krachtige dynamiek,
waarin innerlijke en externe processen op elkaar gaan inwerken. (Ik zou daaraan
toe willen voegen: tijd. Het feit dat een dergelijk proces een bepaalde
doorlooptijd kent versterkt dit effect.) Ten vijfde noemt Brouwer de
compensatorische werking van de innerlijke dynamiek, geformuleerd door Jung.
Niet geassimileerde indrukken uit het levensverhaal worden als het ware een
symbool, een spiegel van onbewuste processen in onszelf. Van den Berk gaat
juist op dit aspect verder in in Mystagogie, met name hoofdstuk 9.
c. Mystagogie op de
levensweg.
Bij existentieël biografisch werk vormt de werkvorm waarin gezamenlijk
wordt gereflecteerd op een gezamenlijk bekeken film of een romanfragment vaak
een omslagpunt. De spiegel die wordt opgehouden kan onbewuste processen bewust
maken en een perspectiefverschuiving teweeg brengen: het levensthema wordt
herkend en daarmee wordt het hele levensverhaal als het ware herschreven. Ik
heb zelf een dergelijke perspectiefverschuiving ervaren naar aanleiding van de
gezamenlijke analyse van een romanfragment. Deze persoonlijke ervaring sloot
aan bij professionele inzichten over en ervaring met het leren van mensen. Er
zijn vele kanalen waarlangs een mens dingen ontdekt en zich eigen maakt. Soms
is dat een woord, soms geluid, soms beeld, soms beweging. Dan gaat er als het
ware een luikje open en gebeurt er wat. Theoretisch wordt dit door diverse
bronnen uit de psychologische literatuur ondersteund; mensen hebben een
eigenlijk persoonlijke voorkeursstijl om te leren.[9] Ik zou hierbij aan
willen sluiten bij wat van den Berk zegt over verwijderen van de tralies rond
de cortex: op die momenten dat het kennende bewustzijn van de mens even
buitenspel wordt gezet ontstaat er ruimte om kontakt te maken met andere lagen
in de hersenen, met het onbewuste. Die kennis kan vervolgens weer worden
opgenomen en verwerkt door het bewuste. In Mystagogie[10] beschrijft Tjeu van
den Berk hoe dit symboliseren aan de hand van een film in zijn werk gaat[11]. Het gesprek
vertrekt vanuit het symboliseringsproces dat heeft plaatsgevonden tijdens het
gemeenschappelijk kijken naar een film. Er wordt van meet af aan een subjectief
standpunt ingenomen (de cortex wordt als het ware terzijde gezet) waarbij grote
waarde wordt gehecht aan de irrationele impulsen tijdens het kijken. Mensen
projecteren hun zieleroerselen, willen wegdromen. Hij onderkent vervolgens drie
fasen:
-
Het verlagen van de bewustzijnsdrempel. De start van
een analyse van symbolen (anders dan tekens, die verwijzen ergens naar,
symbolen verwijzen naar onze onbewust-intuïtieve strevingen) verschilt
fundamenteel met analyse van cognities. Bij het begrijpen van symbolen dient de
bewustzijnsdrempel verlaagd te worden, de cortex op de achtergrond te
verdwijnen. Freud noemt het "schwebende Andacht" of zoals van den
Berk het zegt: " Aandacht is een centrumloos gewaarworden, het is
code-vrij gadeslaan. Je centreert je energie niet, je laat hem juist
vloeien".
-
Amplificeren. Dit betekent letterlijk
"vergroten". Dit is het bouwen van een weefsel van relaties rond het
desbetreffende beeld met behulp van associaties. Het is een gerichte en
gebonden associatie. Ze geschiedt voornamelijk in twee contexten, die van het
beeld en van het subject. Bij het amplificeren van de persoonlijke context
dient consequent de subjectieve mening, indruk, gevoel bevraagd te worden. Wat
raakt je precies? Komen er herinneringen bij je op? Wat de context van het
beeld (of de tekst) betreft dient daar steeds weer op te worden teruggegrepen.
Bijv. beschrijf wat je gezien hebt. Dit kan worden verrijkt met een collectieve
context: wat is in het algemeen een betekenis van dit beeld etc.? In deze fase
ontstaat ruimte voor een perspectiefverschuiving. Die kan zich voordoen, het is
geen wetmatigheid.
-
Interpreteren. Hier worden het cognitieve, de cortex
weer actief ingeroepen. Zoals gezegd, het symboliseringsproces kán inzichten
opleveren. Het hoeft niet zo te zijn. Pas als er is geamplificeerd en er niets
meer uitkomt of het proces doodvalt, kan tot interpreteren worden overgegaan.
Dan kan ook weer de bewustzijnsdrempel worden verhoogd, dan kan de cortex weer
een rol spelen.
3. De rol van de begeleider
Door processen zoals ik hierboven beschrijf kunnen belangrijke
inzichten worden verkregen, maar er zijn ook beperkingen. Mensen zijn niet
gewend om dergelijke associaties als serieuze informatie te beschouwen, hebben
de neiging om het als onzin af te wijzen.
Ten eerste is belangrijk of er een werkelijke behoefte is naar het
vinden van inzichten, of er een duidelijke vraag is, gebaseerd op een gevoeld
betekenistekort.
De kwaliteit van de begeleiding is daarnaast dan ook van wezenlijk
belang. In alle vormen die hierboven worden beschreven is de mystagoog aangever
en bewaker van het pad dat wordt doorlopen. Van den Berk: "Enkel het
zelf-ontdekte leren is zinvol en vruchtbaar.Zelf-ontdekt leren wil overigens
niet zeggen dat daartoe geen impulsen kunnen uitgaan van buitenaf, vanuit de
mystagoog zelf bijvoorbeeld, het wil zeggen dat wáár de leerstof ook vandaan
komt en hoe die ook gebracht wordt, het moment van leren pas ontstaat wanneer
je zelf de betekenis van die leerstof ervaren hebt".[12] Een gesprek in de vorm
van een werkelijke dialoog is een goede leeromgeving[13].
Wat zijn de kenmerken van een vruchtbare dialoog tussen leraar en
leerling?
Voor alles aandacht, werkelijke aandacht. Die aandacht heeft twee
aspecten. Er wordt een veilige leeromgeving geschapen, de leerling heeft het
gevoel dat alles wat zij te berde brengt er mag zijn. En aandacht maakt de weg
naar andere leerprocessen dan de cognitieve, de wereld van het onbewuste, de
verbeeldingskracht. Om het in termen van het mysterie van de Hersenstam te
beschrijven: de leraar is bemiddelaar tussen cortex en hersenstam. Beide zijn
nodig bij existentiële inzichtgevende processen.
Die aandacht wordt gedragen door een sfeer van veiligheid en openheid,
waarin een betekenisvolle relatie kan werken[14]. In de open relatie is
ruimte voor authenticiteit, een gemeenschappelijke inspiratie van leraar en
leerling, waarin zij kunnen worden aangeraakt door de steen der wijzen[15].
Toch is het geen volledig gelijkwaardige relatie. De leraar is een
vroedvrouw, om in de beeldspraak van Socrates te blijven. Met haar vragen
brengt zij de leerling verder dan zij op dat moment is. Vragen, vragen,
rapsodisch vragen. Met gevoel voor de fase van het proces waarin de leerling
verkeert; gaat het om emoties, om symbolen of cognities?
4. Conclusie
In alle vormen die ik hierboven beschrijf is sprake van een cyclisch
leerproces dat zich steeds weer herhaalt. Ergens op haar levensweg ervaart een
mens een betekenistekort. Dat tekort maakt het moeilijk om keuzes te maken, om
actief te handelen in de wereld. Dat is het startpunt van een dynamisch
leerproces. Zij keert naar binnen, gaat als het ware met zichzelf in gesprek,
zoekt naar wijsheid uit het vroeger en nu, naar de (her)formulering van een
levensthema. Pas als daar woorden voor zijn gevonden (emotie en cognitie zijn
geïntegreerd), kan worden gehandeld en start de dialoog met de buitenwereld.
Het symboliseringsproces vormt daarin een krachtige, betekenisvolle brug.
Dit proces draagt echter nog meer vrucht als er meer is gebeurd dan het
vormgeven van de invulling van de voorliggende vraag. Als het goed is wordt er
ook geleerd om met deze vragen om te gaan. Dat is leren op metaniveau, een mens
kan leren om bewuster met een levensvraag om te gaan en effectief actie te
ondernemen om een antwoord te formuleren. Juist deze vaardigheid is heel
wezenlijk in een wereld waarin de quest of life meer dan ooit van belang is.
Voor begeleiding op de levensweg is het dus van belang om te leren leren een
vraag te formuleren en te accepteren en op basis van die vraag te reflecteren,
zowel met de cortex als met de hersenstam.
Ik probeer hier in woorden van deze tijd te omschrijven wat Tjeu van
den Berk beschrijft in de eerste hoofdstukken van Mystagogie, als hij het heeft
over de inwijdingsweg van de mens, verbeeld in een ladder. Om een volgende stap
op de ladder te kunnen zetten is steeds weer een transitie nodig, een
leerproces waarin wijsheid wordt gevonden voor het vervolg van de levensweg.
Beschouwing van leren op de levensweg op deze manier verenigt twee tijdsperspectieven
in zich: het lineaire en het cyclische[16]. Maar dat is weer een
ander verhaal.
Om echt te lezen
moet je alle lichten uitdoen,
woorden houden van duisternis
zoals het beeld houdt van de donkere kamer.
Onder hen beiden zouden ze zonder geluid
te maken de wereld kunnen vervangen.
(Herman de Coninck, Verzameld
werk)
Literatuur
Hans Achterhuis, Werelden van tijd, St. Maand van de Filosofie, 2003
Tjeu van den Berk, Berk,
Mystagogie, Meinema, 1999
Tjeu van den Berk, Het mysterie van de Hersenstam, Meinema, 2001
Tjeu van den Berk, Het filmgesprek, Kok Kampen 1994
H. v.d. Blink, Pastorale counseling en spiritualiteit, KSGV, 2002
Ina Brouwer, De transformerende kracht van existentieel biografisch
onderzoek, Humanistiek nr. 11, sept. 2002
Ina Brouwer, Anders kijken: over innerlijke ontwikkeling en een meer
verrijkte verhouding tot de werkelijkheid, reader UvH, nov. 1999
L.W. van der Burg, Het leerproces als inwijdingsweg, Opleiding en
Ontwikkeling 4-1998
Kolb, Experimental Learning, Prentice Hall,
1984
G. Lang, Gespreksvoering als ambacht, Nelissen, 1999
Meijers en Wijers, Een zaak van betekenis, Loopbaandienstverlening in
nieuw perspectief, LDC, nov. 1997
Carl Rogers, Leren in Vrijheid, De Toorts, 1973
Charles Taylor, Sources of the Self, Cambridge
University Press, 1989
[1] overal waar zij staat kan ook hij worden gelezen
[2] ook de naam van mijn bedrijf
[3] Zie Meijers en Wijers, Een zaak van betekenis, Loopbaandienstverlening in nieuw perspectief. p. 21
[4] Zie Meijers en Wijers, maar ook:Taylor, Sources of the Self par. 2 van deel I, en v.d. Berk, Mystagogie Hoofdstuk 8, over Socratisch leren
[5] L.W. van den Berg zegt hier interessante dingen over in "het leerproces als inwijdingsweg", Opleiding en Ontwikkeling 4-1998 p. 11 ev
[6] Meijers en Wijers, p. 24
[7] Ina Brouwer, “De transformerend kracht van existentieel biografisch onderzoek”, Humanistiek nr. 11, sept. 2002
[8] Ina Brouwer, "Anders kijken: over innerlijke ontwikkeling en een meer verrijkte verhouding tot de werkelijkheid, reader UvH, nov. 99 Zie ook wat Taylor hier over zegt, Sources of the Self, p. 47
[9] zie o.a. Kolb, Experiental learning
[10] vanaf p. 167, zie ook het Filmgesprek
[11] Dit proces lijkt qua stappen en inhoud sterk op focussen zoals de psycholooog Gendlin dat beschrijft, (Meijers en Wijers verwijzen hier ook naar) alleen richt zich daarin de aandacht op met name gevoelens die niet "gehoord" worden.
[12] Mystagogie, p. 59
[13] 'Ik heb geen leer maar ik voer een gesprek', Martin Buber.
[14] Rogers, Leren in vrijheid en Gespreksvoering als ambacht, Lang
[15] Mystagogie, p. 148
[16] Hans Achterhuis, Werelden van tijd